Homilie mgr. Liessen in Rome

Homilie mgr. Liessen in Rome 17 november 2016.

n.a.v. Lk. 15, 1-33.11-32.

De homilie bij dit evangelie, broeders en zusters, wil ik graag beginnen met een kort verhaal., dat zich al wat langer geleden heeft afgespeeld, in de 60-er jaren van de vorige eeuw.

In een klein Amerikaans stadje aan de oever van de grote meren stond een staalfabriek. Het stadje was bekend om zijn lawaai. Dag en nacht draaiden daar de machines door. Er waren grote pneumatische hamers bij, die de massa’s gesmolten metaal in vorm sloegen. De inwoners van dat stadje waren aan dat voortdurende dreunend geluid gewend geraakt en konden er zelfs gerust bij slapen. Op een gegeven nacht was er een storing in een van de machines en heel de fabriek kwam tot stilstand. Ook de zware hamers hielden plotseling op, met als gevolg dat het muisstil werd, en dat had tot gevolg… dat iedereen in het stadje wakker werd. Ze werden niet wakker door een knal of ontploffing, maar door de stilte, door het plotseling wegvallen van het vertrouwde dreunen van de machines.

Het leven is druk: Rome is een drukke stad, maar vanmiddag en vanavond zoeken we de stilte…..niet om te rusten, niet om te slapen, maar om wakker te worden, om waakzaam te zijn. Wat er in dat Amerikaans industriestadje gebeurde, lijkt in zeker opzicht op het leven van vele gelovigen in de wereld. Zolang het evangelie gelezen en verkondigd wordt, zijn er miljoenen die er rustig bij in slaap sukkelen: het is maar één van de vele vertrouwde geluiden in onze drukke wereld. Maar er komt voor iedereen een dag dat het evangelie niet meer gehoord zal worden. We weten niet wanneer dat is, maar we weten wel zeker dat het komt. Het komt voor ieder persoonlijk als we sterven, en het komt voor heel de schepping op het einde van de tijd.

Al de tijd van ons leven horen we het woord van God die ons aanspreekt in de heilige Schrift, in het bijzonder in het evangelie. Wat is ons antwoord? De woorden van de Schrift, van dit evangelie van de verloren zoon, zijn zo vertrouwd, dat je erbij in slaap kunt sukkelen. In dit jaar van de barmhartigheid hebben we in bijna al onze kerken, niet alleen banners met het betekenisvolle, internationale logo, maar ook met een afbeelding van een schilderij van Rembrandt over de thuiskomst van de verloren zoon,. We zien het, we horen het, en wat doen we dan? Gaan we dan door met ons drukke leven? We zijn in ieder geval lichamelijk in beweging gekomen, we hebben ons toegelegd op de werken van barmhartigheid: de naaste beminnen naar het woord van Jezus. En we zijn ook in beweging gekomen door naar Rome te gaan. Is dat het dan? Zijn we nu echt veranderd, ten opzichte van een jaar geleden? En waar willen we dan over een jaar, gerekend vanaf nu, zijn? In de stilte van deze avond horen we over een andere beweging die eigenlijk als eerste komt, dat is een beweging van het hart, en daarover gaat de parabel van de verloren zoon, ten minste voor een deel.

Ik zeg bewust: “voor een deel, want als we horen wat de verloren zoon bij zichzelf denkt, en de ommekeer volgen die hij maakt, dan is dat maar een deel van de parabel. Als het evangelie ons vertelt wat er zich in zijn hart afspeelt, dan denken we gemakkelijk: het zal wel de bedoeling zijn dat wij ook een dergelijk beweging in ons hart maken. Dat is zeker waar, maar toch is dat maar de helft van de parabel. Er is nog een andere helft, en soms lijkt het wel alsof we dat niet meer horen en we een beetje in slaap zijn gesukkeld. Die andere helft kom je op het spoor als je hoort dat de Vader twee keer uitdrukkelijk zegt dat zijn zoon dood was en weer levend is geworden. Hij was toch niet echt dood? Misschien was hij in gevaar toen hij niets te heten had, maar toch niet echt dood? Wat bedoelt de Vader dan? Is dat alleen maar een wat emotionele uitdrukking?

De jongste zoon had het over “het deel van het bezit waarop ik recht heb”. We gaan misschien wat te gemakkelijk mee met de belevenissen van die jongste zoon. We kunnen ook even stilstaan bij de vraag wanneer een erfenis verdeeld wordt. Een erfenis wordt toch pas verdeeld, bij de dood van de erflater en toch niet eerder! In Nederland zullen sommigen misschien omwille van de fiscus al iets eerder een verdeling maken, maar normaal wordt de erfenis alleen verdeeld als de erflater dood is.

In een wijsheidsboek van het Oude Testament, de Wijsheid van Jezus Sirach, ofwel, Ecclesiasticus, kun je lezen: “Zolang gij leeft en er adem in u is, moet gij u door geen mens laten overheersen. Het is beter dat uw kinderen u iets moeten vragen dan dat gij naar de handen van uw zonen moet kijken. Blijf heer en meester, bij al wat gij doet, en laat op uw eer geen smet vallen. Op uw laatste dag, als uw leven voltooid is, ja, als de dood is gekomen, verdeel dan uw erfenis.” (Sir. 33, 21-24)

Als de jongste zoon om de erfenis vraagt terwijl zijn vader leeft, dan zegt hij eigenlijk dat zijn vader dood is voor hem! Zijn vader, die hem het leven schonk, betekent niets meer voor de jongste zoon; hij is dood. Het is de jongste zoon zelf die de band met zijn vader doorsneed, de band met degene van wie hij zijn leven had gekregen. Dat is wat de vader uitdrukkelijk zegt. Kunt u de vader verstaan? De jongste zoon kon het niet. Hij voelde zichzelf niet dood, maar –gezien door de ogen van de vader- was hij dood: hij had zijn toekomst afgesneden en loopt verloren. Kunt u kijken door de ogen van de Vader? Wat ziet u als je door de ogen van de Vader kijkt naar uzelf? Voelt u zich “dood”? Ik denk het niet.

In de parabel daagt Jezus ons uit om ons te herkennen in de verloren zoon. Maar ik denk dat wij –net als de jongste zoon- ons niet “dood” voelen. Zeker niet als je rondloopt in Rome en in het hart van de wereldkerk bent. Dan voel je je springlevend. En toch: de bittere werkelijkheid is dat we wel dood gaan; en dan? Lopen we dan ook verloren? Sta je ooit stil bij het eeuwig leven? Sta je stil bij de band met degene die ons het leven schonk, met God, die ieder mens naar Zijn beeld en gelijkenis schiep en ons levensadem geeft? Kunt u aanvoelen hoe God naar ons kijkt? Dat is wat Jezus ons wil laten zien in het evangelie. Hij komt van de Vader en weet hoe de Vader kijkt. Kun je dat zien?

In het kerkelijk jaar heeft elke dag zijn eigen evangelie. In het evangelie dat bij deze dag hoort, kondigt Jezus aan dat er geen steen op de ander blijft van de tempel in Jeruzalem. Wat Hij zegt, is bedoeld als een aansporing voor de leerlingen, voor ieder mens die wil horen. Jezus is niet bezorgd voor stenen tempels, ook niet voor schitterende middeleeuwse kathedralen of barokkerken. Wat Jezus zegt, zegt Hij niet uit monumentenzorg maar uit zorg voor de “tempel van Zijn lichaam”, uit zorg voor de Kerk dus, uit zorg voor ons. Uit die zorg komt ook de parabel van de verloren zoon voort. God is bezorgd voor ons, opdat wij niet verloren lopen, ook al voelen we dat zelf niet zo. Iets eerder in het evangelie van Lukas, komt er een Schriftgeleerde bij Jezus met precies die vraag: Meester wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Jezus kaatst de bal terug en zegt: “Wat lees je in de Schrift?” En dan blijkt dat de Schriftgeleerde het antwoord wel wist: “God beminnen met heel je hart, heel je ziel, heel je verstand en al je krachten, en de naaste gelijk jezelf”. Om zich dan te rechtvaardigen vraagt hij: “Maar wie is dan mijn naaste?”

Dan vertelt Jezus de parabel van de barmhartige Samaritaan. U kent die wel: een reiziger ligt halfdood aan de kant van de weg, een priester en een leviet lopen er in een boog omheen en een vreemdeling, een Samaritaan, krijgt medelijden en ontfermt zich over de halfdode en betaalt de prijs voor zijn leven, zodat hij niet sterft. Dan vraagt Jezus: “Wie is de naaste voor de man aan de rand van de weg?” Wat Jezus met die vraag doet is: de vraag van de Schriftgeleerde omdraaien. De Schriftgeleerde redeneerde zoals de jongste zoon; hij dacht alleen vanuit zichzelf. Als je vraagt: “wie is mijn naaste”, dan denk je in cirkels.

Zelf ga je in het middelpunt staan en vraagt: “Hoe groot moet mijn cirkel zijn, wie valt er allemaal binnen en is mijn naaste, en wie niet? Als je zo redeneert ben je letterlijk egocentrisch, sta je zelf in het midden, denk je alleen aan jezelf. Jezus draait het om: wie was de naaste voor de halfdode mens aan de rand van de weg? Jezus denkt ook in cirkels, maar plaatst de dodelijk gewonde mens in het midden, en kijk dan wie er in de buurt komt, wie in zijn cirkel binnengaat en wie er met een boog omheen loopt.

Hebt u zich ooit afgevraagd waar Jezus al die parabels vandaan haalt? Heeft Hij die zomaar verzonnen? Nee, Jezus kijkt naar ons door de ogen van de Vader. Hijzelf is de vreemdeling, die van veel verder is gekomen dan wie ook en die op reis ging en de mens dodelijk gewond heeft aangetroffen en zich barmhartig over hem ontfermd heeft en de prijs voor zijn leven betaald heeft. Jezus kent de Vader. Barmhartigheid zegt iets van het wezen van God en het betekent dat God niet bij zichzelf blijft, maar ons in het midden zet en zich om ons bekommert. Daar komt de parabel van de barmhartige Samaritaan vandaan; het gaat over hoe God naar ons kijkt, het gaat over Jezus zelf. Meedoen met de barmhartigheid van God betekent dat je je perspectief omkeert: niet meer vanuit jezelf denkt en leeft, maar de ander in het middelpunt zet, en je inspant voor die ander.

De parabel van de verloren zoon is ook zo: Jezus laat ons kijken door de ogen van God, door de ogen van de Vader die al staat te kijken naar de zoon, nog voor die het idee heeft om naar huis terug te gaan. Als je dat kunt zien, dan word je wakker, dan kun je niet blijven slapen in deze wereld, die liever niet heeft dat je nadenkt over, of stilstaat bij, de dood en het eeuwig leven.

De jongste zoon was dood en levend geworden, hij sliep en is wakker geworden. Het jaar van de barmhartigheid wil dat voor ons doen: ons geloof wakker en fris maken, het wil ons de barmhartigheid van de Vader laten ervaren –vanavond heel concreet hier in deze viering-, zodat we met Hem mee kunnen doen en barmhartig worden.

Straks houden we aanbidding van het Allerheiligst Sacrament: we zetten de heilige Hostie in het midden. Zo is het van ons uit gezien. Maar kunt u het in de stilte ook omdraaien? Kunnen we ervaren hoe Hij naar ons kijkt? Dat Hij medelijden voelt als Hij ons ziet en Zijn barmhartigheid wil geven? Dat Hij al op de uitkijk staat naar ons?

Ik begon met een verhaal over inslapen bij lawaai en wakker worden door de stilte. Ik wil eindigen met u te vertellen over een zuster van een actieve congregatie. Ze is niet zo lang geleden vermoord in Noord-Afrika. Waar het evangelie zonder terughoudendheid over spreekt: vastgegrepen worden en vervolgingen, dat zien wij niet om ons heen, maar het is de dagelijkse werkelijkheid van veel van onze broeders en zusters in de wereld. Dat ze religieuze was en van een actieve congregatie is niet de hoofdzaak, waar het op aankomt, is haar levenshouding: ze was wakker. Op het lichaam van die zuster heeft men een gedicht/gebed gevonden dat getiteld was; hier, aujourd’hui, demain (gisteren, vandaag, morgen). De inhoud is als volgt;

Deze dag is van jou. Je hebt hem van God gekregen. Gebruik hem goed. Laat deze dag niet verloren gaan door de zorgen voor morgen. De dag van morgen is niet van jou: hij is van God en te zijner tijd zal God hem je geven. Leef de dag van vandaag. Laat deze dag dan ook niet verloren gaan door het gemis van gisteren. Gisteren is niet meer van jou: hij is nu van God en God is bereid je alle fouten te vergeven. Leef de dag van vandaag; hij is helemaal voor jou. Vandaag is een tere brug tussen gisteren en morgen. Belast de dag van vandaag niet met het gemis van gisteren en de vrees voor morgen, want dan zal hij bezwijken. Morgen zal God je geven, gisteren wil Hij je vergeven, maar leef jij nu de dag van vandaag met God. Als dan de dag van\God zal komen op een tijd dat je het niet verwacht, dan ben je klaar om al je dagen terug te geven aan God, en Hij zal je zonden vergeven en je tekorten aanvullen. Dat is de dag waarop Hij je een morgen zal geven waaraan geen einde meer komt. Leef de dag van vandaag…met God.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.